Mount Everest Base Camp Trek, Dag 15: Namche Bazar – Lukla

Niemand minder dan Jimmy Carter, de 39ste president van Amerika, heeft geslapen in de lodge waar ook wij vannacht de nacht hebben doorgebracht. Een metalen gedenkplaatje op de muur moet herinneren aan dit grootse moment. Maar naast de president zijn er nog veel andere notoire personen blijven slapen in deze lodge, die op niet minder dan 3500 meter hoogte gebouwd is. Ik heb het dan voornamelijk over gerenommeerde bergbeklimmers die het ene achter het andere wereldrecord op hun naam wisten te schrijven. Wanneer we ons aan de ontbijttafel schuiven voelen we ons – ondanks onze prestatie om Mount Everest Base Camp te bereiken – precies toch maar klein.

Aan de gastheer vragen we onze spulletjes terug, die we enkele dagen geleden hier achter gelaten hadden om gewicht te besparen in de rugzak. Als bedankje laten we onze gasflesjes en enkele vriesdroogmaaltijden achter. Die kunnen we nu toch niet meer gebruiken. De man is er erg blij mee. Nadat we afscheid van hem genomen hebben en de lodge willen buiten wandelen, houden we even halt bij de talrijke gesigneerde foto’s die in de inkomhal van de lodge hangen. Het zijn de foto’s van die gerenommeerde bergbeklimmers en hun impressionante wereldrecords die hier geslapen hebben. Veel meer dan “wauw”, en “da’s nie te doen” kunnen we niet uitbrengen bij het lezen van hun prestaties.

Langsheen de nieuw gebouwde stupa’s, die bij onze vorige passage nog ceremonieel ingewijd werden, lopen we het dorp buiten. De kleurrijke gebedsmolentjes worden door het water van een rivier constant in beweging gehouden.

Aan de rand van het dorp staan enkele yaks en ezels te grazen. Het zijn de lastdieren van de marktkramers die gisteren hun spullen te koop aanboden langs de straten van Namche Bazar. Vandaag trekken ze weer verder. Op weg naar een volgende markt. We lopen een tijdje achter een marktkramer die al vroeg op weg is om zijn ezels terug de berg af te leiden. Eén van de ezels ziet er wat ouder uit en kan de groep niet volgen. Doordat we de afgelopen dagen wel vaker getuigen mochten zijn van hoe onvriendelijk er omgegaan wordt met achterblijvende dieren, ontferm ik me over deze oude rakker. Ik zeg tegen het beest dat hij moet proberen voort te maken, want dat hij het anders wellicht zal moeten bekopen. Hij kijkt me met zijn lieve grote ogen aan. Ik streel met mijn hand over zijn hoofd. Hij legt zijn lange oren plat. En blijft vervolgens stilstaan. Geen stap verzet hij nog. “Nee! Doorlopen… Niet blijven staan!” roep ik lichtjes in paniek. Met angstige ogen kijk ik naar Wim. Maar hij vindt dat het mijn schuld is. Volgens hem is het beest blijven stilstaan doordat ik met hem aan het knuffelen was. Mijn aanmoedigende woorden halen helaas niets uit. Ik zie de boer in de richting van mijn lieve ezel komen en voel de bui al hangen. Zoals verwacht gaat hij flink tekeer en krijgt hij stenen naar zijn hoofd gesmeten. Ik begin net niet te huilen. Maar mijn schuldgevoel kan ik in tegenstelling tot mijn tranen niet onderdrukken. Wim heeft gelijk. Ik had het arme dier gewoon moeten laten doen. Door mijn schuld krijgt het nu stenen naar zijn hoofd geworpen. Mijn hart breekt.

Het hele gebeuren zet flink de sfeer voor de verdere afdaling. Ik kan het beeld maar niet uit mijn hoofd zetten. Stilzwijgend lopen we kilometerslang naast elkaar. Tot er op een gegeven moment een stel wilde honden komt aanzetten. Alsof ik hier mijn schuld wil goedmaken, geven we de dieren wat koekjes. Ze nemen ze dankbaar aan en blijven een tijdje voor ons uit wandelen.

De rest van de route gaat in “fast forward”. We wandelen immers over hetzelfde traject dat ons twee weken geleden van Lukla naar Namche Bazar voerde. We lopen opnieuw langs de bakker waar we heerlijk brood kochten, langs het huis waar het kind ons om chocolade vroeg en over de eerste hangbrug, die voor ons nu de laatste zal zijn. Wanneer Lukla in zicht komt, maken we ons zorgen. Het is regenachtig en we vermoeden dat dat wel eens roet in het eten kan gooien voor onze geplande vlucht morgenvroeg. Gezien het zo’n gevaarlijke luchthaven is met een erg korte landingsbaan, wordt er niet gevlogen bij slechte zichtbaarheid.

‘s Anderendaags wordt ons vermoeden bevestigd. Na ons zonder ook maar enige informatie urenlang in een lege vertrekhal te laten wachten, zit er voor ons niets anders op dan een extra nacht te boeken in een hotelletje in Lukla. Het weer wordt alleen maar slechter en alle vliegtuigjes blijven aan de grond.

Weer een dag later zijn er nog steeds geen opklaringen in zicht. We besluiten daarom om voor het veel duurdere alternatief te gaan: een helikoptervlucht. Helikopters stijgen bij dit weer wel nog op en kunnen ons veilig tot in Kathmandu brengen. Het is al snel duidelijk dat die helikoptervluchten “big business” zijn hier in Lukla. De piloten weten natuurlijk ook dat gestrande wandelaars geen andere optie hebben dan een helikoptervlucht te boeken, wanneer de andere vliegtuigen niet opstijgen. Ook wij staan onder tijdsdruk, want morgen moeten we weer op het vliegtuig richting België zitten. We kunnen dus niet anders en betalen 400 euro per persoon om een plaatsje te bemachtigen in één van de helikopters.

Maar voor die 400 euro krijgen we wel waar voor ons geld. Want de 45 minuten durende vlucht is wat je op z’n zachtst uitgedrukt “een ervaring op zich” zou kunnen noemen. Op een gegeven moment hoor ik door mijn koptelefoon over de radio: “Mayday, need to descent immediately”. Het koud zweet breekt me uit.

From the panicked Nepalese and English gibberish on the radio, I think I can conclude that another plane has caught fire and needs to land urgently. The communication from the aircraft that is in trouble sounds very unclear. There is a lot of noise on the radio. But the panic in the pilot’s voice goes directly to the bone. Alternately I hear his fearful voice and that of a dead serious and focused lady in the tower, who is giving him instructions and permission to land. After a few minutes, which seem like hours, I suddenly hear a relieved “happy landing” over the radio.

Uit het paniekerige Nepalese en Engelse gebrabbel over de radio, meen ik op te kunnen maken dat een ander vliegtuig vuur gevat heeft en dringend moet landen. De communicatie vanuit het vliegtuig dat in problemen is, klinkt bijzonder onduidelijk. Er zit erg veel ruis op de radio. Maar de paniek in de stem van de piloot snijdt door merg en been. Afwisselend hoor ik zijn angstige stem en die van een doodkalme en gefocuste dame in de toren, die hem instructies en toestemming tot landen geeft. Na enkele minuten, die wel uren lijken, hoor ik plots een opgeluchte “happy landing” over de radio. De piloot heeft zijn toestel veilig en wel aan de grond gekregen. Onze helikopterpiloot kijkt naar me. Wij zijn de enigen aan boord met een koptelefoon op het hoofd. De vier andere passagiers van de helikopter hebben van de hele noodoproep niets mee gekregen. “Are you ok”, vraagt hij bezorgd. Ik knik, terwijl mijn maag eigenlijk helemaal overhoop ligt.

Later zien we op tv dat er inderdaad een passagiersvliegtuig in de problemen is geraakt. Het had weliswaar geen vuur gevat, maar het raam van de cockpit was gesprongen en één van de piloten werd half naar buiten gezogen. Dankzij zijn veiligheidsgordel heeft hij het overleefd. De andere piloot is later als held gehuldigd, gezien hij alle 128 passagiers aan boord van het vliegtuig veilig aan de grond heeft weten te zetten. Mogelijk was het deze oproep die ik over de radio hoorde. Het zou de enorme ruis over de radio, wat leek op sterke wind, in elk geval verklaren.

Met nog steeds een knoop in mijn maag, zet ook onze piloot zijn toestel na 45 minuten veilig en wel aan de grond. Vanaf het landingsplatform mogen we in de laadbak van een jeep klimmen, om naar de luchthaven gebracht te worden. Daar worden we vriendelijk verwelkomd door loslopende wilde apen.

Leave a Comment

Your email address will not be published.