Mare a Mare Nord, Dag 1: Moriani Plage – Ipenti

Zes jaar is het geleden, dat we nog voet aan wal gezet hebben op dit magnifieke eiland. Toen waren we in Corsica om – wat men beschouwt als – de zwaarste en technisch moeilijkste GR-route van Europa te lopen: de befaamde GR20. Wij hadden destijds zelfs nog het privilege om ons te mogen wagen aan de Cirque de Solitude, een billenknijper van formaat. Zelfs voor ons, geoefende wandelaars, bezorgde deze cirque ons het nodige angstzweet. Want de Cirque de Solitude is wat de befaamde GR20 net zo befaamd maakte. Je moet er via kettingen, laddertjes en trapjes langs impressionante rotsformaties afdalen. Daarna ben je op handen en voeten aangewezen om je langsheen een “couloir” terug omhoog te hijsen. Vandaag is de GR20 helaas niet meer wat het geweest is. De cirque is immers van haar kettingen, ladders en trapjes ontdaan en definitief gesloten voor avontuurlijke wandelaars. Maar hoe jammer die sluiting ook is, ze is prima te begrijpen. Want de gerenommeerde cirque heeft iets te veel doden op haar geweten. Toen wij er zes jaar geleden samen door trokken viel er één dode te betreuren. Enkele jaren later deed Wim de tocht nog eens over met een kameraad van hem. Op het moment dat zij daar waren vielen er opnieuw drie doden. Genoeg om de spreekwoordelijke emmer over te laten lopen. En sindsdien is de cirque dus niet meer. Helaas…

Maar dit jaar zijn we niet hier voor de GR20 of haar cirque. Dit jaar willen we de “Mare à mare Nord” bedwingen. Een tocht van de oostkust naar de westkust van het eiland. Normaal beslaat de tocht tien dagen, maar wij moeten de klus in acht dagen klaren. Een uitdaging op zich.

De eerste uitdaging van de tocht wordt ons al voorgeschoteld nog voor we de eerste stap op de route gezet hebben. Nadat de trein ons tot Casa Mozza gebracht heeft, moeten we nog tot Moriani Plage geraken, het startpunt van de tocht zo’n twintig kilometer verderop. We willen de bus nemen, maar een gestrande reiziger in het bushokje geeft ons weinig goede hoop. De bus die een uur geleden moest langskomen, is nooit gepasseerd. We vrezen dat dus ook onze bus een snipperdag houdt vandaag en besluiten op een ander paard te gokken om in Moriani Plage te geraken.

Ik merk een kleine kroeg op en stap naar binnen. Er zitten enkel mannen aan de toog. Ik vraag of iemand ons naar Moriani Plage wil brengen. Maar één blik op hun drankjes vertelt mij al genoeg. Het mag dan misschien maar net middag zijn, deze mannen doen zich al tegoed aan een goed gevuld glas Ricard. Of straffer. Eén van de mannen grapt dat hij ons maar al te graag zou brengen, maar dat het dan zigzag zou zijn. Mmmh, dan toch maar niet. We gaan dus maar voor optie twee: autostop.

We stellen ons zo tactisch mogelijk langs de weg op. We verwachten weinig van deze impulsieve actie. Wim heeft al eens een keertje eerder gelift, om uiteindelijk uit pure miserie een veel te dure taxi te bestellen. Ikzelf heb nog nooit gelift. En mijn uitgestrekte duim geeft me zelfs een ietwat ongemakkelijk gevoel. Er passeren vijf auto’s. Ik laat mijn duim zakken en vraag mij af of we niet iets te naïef zijn te geloven dat iemand ons daadwerkelijk mee gaat nemen. “Met Peking Express zouden we precies ook niet de eerste prijs halen”, mompel ik tegen Wim. Maar mijn woorden zijn nog niet goed koud of een auto stopt voor ons. Hij kan ons tien kilometer mee nemen. Perfect dan zijn we vast in de helft!

Na tien kilometer steken we langs de kant van de weg opnieuw onze duimen in de lucht. En ook deze keer hebben we binnen twee minuten prijs. Een vriendelijke man zet ons precies aan ons beginpunt af. Met een brede glimlach gaan we de zee begroeten. Het avontuur kan beginnen.

Vanaf de kust zien we de bergtoppen van het binnenland, waar onze route heen leidt. Nuja, van de toppen zien we niet veel, want er komt een dik pak wolken aanzetten, waardoor enkel de schouders van de bergen zichtbaar blijven. Via een stijgende asfaltweg lopen we het dorp buiten. Een man wil ons wijzen op het weer dat aan het omslaan is. “Attention dans les montagnes”(opgelet in de bergen), waarschuwt hij terwijl hij met zijn vinger naar enkele gitzwarte wolken wijst. Zijn waarschuwing blijkt terecht, want slechts enkele ogenblikken later begint het te onweren en moet de regenkleding aan.

In geen tijd is ons pad in een rivier omgetoverd. We proberen te schuilen onder een boom, totdat ook zijn bladerdek moet inzien dat hij niet opgewassen is tegen zoveel regen. We stappen daarom maar verder en laten ons tot op onze onderbroek kletsnat regenen.

Rond de middag hopen we drogere oorden op te kunnen zoeken in een kerk, waar we ook willen picknicken. Maar de indrukwekkend grote toegangspoort is potdicht. Ik klop op de roodgeverfde eiken deur, alsof ik verwacht dat de heilige maagd Maria herself zo meteen de deur voor ons komt open doen. Maar de poort blijft dicht. En mijn onderbroek nat.

Ik wijs Wim op een open graftombe op het kerkhof. We twijfelen even of het grafschennis is om daar toevlucht te nemen, maar bedenk mij dan dat de zieltjes die er begraven liggen een bezoekje waarschijnlijk net op prijs zouden stellen. Op de gegraveerde witte stenen lees ik dat de tombe gebouwd is voor de familie Marchi.

De graftombe dateert van iets voorbij de tweede wereldoorlog. Want het oudste graf is van een man die in 1947 het leven liet. Naast hem zijn nog een tiental andere plaatsen voorzien om zijn familieleden een laatste rustplek te bieden. Ondertussen zijn de meeste graven gevuld, waaronder eentje heel recent gezien deze nog geen witte marmeren steen heeft, maar enkel met een houten plaat afgedekt is. De bloemen voor het graf zijn reeds verwelkt, maar twee brandende kaarsjes tonen dat de pijn van het afscheid nog niet volledig verteerd is.

We smullen van onze picknick op deze plek die in onze ogen niet luguber, maar eerder sereen is. We hebben respect voor de familie Marchi, maar maken ook grapjes tegen hen. Als er dan toch leven na de dood zou zijn, ben ik zeker dat wij hen vandaag een leuke dag bezorgd hebben. We vragen de familie Marchi om opklaringen maar de verwachte plotse blauwe hemel met felle zonnestralen recht op de graftombe blijft helaas uit. Al moeten de Marchi’s toch iets gedaan hebben want de plensbui gaat over in motregen, wat ons voldoende moed geeft om weer verder te gaan. Luidop, en gemeend, bedank ik de Marchi’s voor hun gastvrijheid. Ik vouw mijn handen en buig uit respect mijn hoofd terwijl ik de tombe uitstap.

Het komende uur blijft het relatief droog, wat wij volledig toeschrijven aan de hulp van de familie Marchi. Langs een smal pad klimmen we door een mooi groen bos gestaag omhoog. De bergflank is zo dicht begroeid en vochtig dat we ons een beetje in een jungle wanen. Even moeten we door een open vlakte, waar het pad bedekt wordt door eindeloos groene varens. Hun bladeren wuiven heen en weer, wanneer we er met onze regenbroeken onvermijdelijk de druppels aflopen. Ze sijpelen langzaam door onze schoenen heen en maken onze sokken klam.

Een familie wilde varkens schrikt op wanneer ze plots oog in oog met ons komen te staan. In eerste instantie lopen ze weg. Waarna de moeder even halt houdt en tussen ons en haar drie kleintjes in komt staan. Ze voelt zich kennelijk heldhaftig want na een korte aarzeling loopt ze recht onze richting uit. Maar op die beslissing komt ze al even snel weer terug, waarna ze haar jongen aanmaant de bossen in te vluchten. Met luid geschreeuw maakt ze zich uit de voeten.

De kilometers die volgen worden we nog een paar keer geconfronteerd met wilde varkens. Maar ook grazende koeien en paarden kijken verbaasd op wanneer we in “hun” territorium komen.

De gebeden van de familie Marchi zijn na twee uur uitgewerkt. Opnieuw gutst de regen uit de hemel. De rivier die de vallei doormidden snijdt zwelt op. Waar ze normaal doorzichtig en lieflijk het landschap opfleurt is ze nu wat ontstuimiger en bruin van het zand dat ze van hoog in de bergen met zich meesleurt.

We klimmen uit de vallei en belanden in Ipenti. We twijfelen geen seconde om een kamer te nemen in de enige gîte die het kleine dorpje rijk is. We hangen onze doorweekte kleren uit, al weten we zeker dat ze nooit droog kunnen zijn tegen morgen.

De gastheer dekt een tafeltje voor ons, waarna zijn vrouw een overheerlijk menu op tafel tovert. Voornamelijk het voorafje laat een goede indruk na: een bordje charcuterie met verschillende soorten droge worst. De worst is – niet gelogen – de lekkerste die ik ooit proefde. Vol trots vertelt de gastvrouw dat het huisbereide worst is van hun eigen varkens.

Terwijl de regen onophoudelijk naar beneden blijft gutsen kruipen wij ons bed in. En hopen we dat de familie Marchi daar boven nog eens goed gaat onderhandelen met de weergoden…

Leave a Comment

Your email address will not be published.