De Pyreneeënoversteek, Dag 23: Topsport

Vannacht zakte de temperatuur naar een winterse 2 graden Celsius, maar we hebben het niet koud gehad in onze slaapzakken. ‘s Morgens maak ik naar goede gewoonte koffie op ons gaspitje, terwijl Wim de slaap nog uit zijn ogen wrijft. Wanneer de koffie klaar is leeft Wim zich uit op de kleine chocoladewafeltjes als ontbijt. Hij eet er wel zes op, terwijl ik genoegen neem met een stuk of drie. We moeten genoeg calorieën opdoen, want we hebben een zware dag voor de boeg. Na ontbeten te hebben als een hele kudde paarden gaan we op pad.

Net voorbij het dorpje Oust mogen we opnieuw de wijde natuur in duiken. Het is meteen klimmen geblazen. Iets waar we ons ongeveer de hele dag mee bezig zullen houden. Een goede training voor morgen, wanneer we terug op de GR10 zullen zitten.

Bij het kerkje van Comunac eten we een nectarine. Het is een vredig en mooi dorpje, waar de huizen trapjes in de daken dragen. Er is geen winkel, bakker of bar aanwezig, maar toch kan ik begrijpen dat je op dit godvergeten stukje aarde wil komen wonen: wát een uitzicht!

We zijn ondertussen zo’n 400 meter gestegen en hebben nog heel wat hoogtemeters voor de boeg. Gelukkig zitten we vol goede moed en hebben we vooral heel erg veel zin om weer in dat hooggebergte te vertoeven. Laat ze maar komen, die hoogtemeters…!

Bovenop een col besluiten we te lunchen. Wim geniet van het beetje zon dat op onze picknickplaats valt en doet een kleine siësta. Ondertussen observeer ik een dikke kever die via een grassprietje omhoog wil klimmen om de vleugels te spreiden. Telkens hij bijna boven is buigt het grassprietje om door zijn gewicht en is het terug naar af. Na vijf pogingen lukt het de kleine dikzak toch en vliegt hij weg. Ook wij vliegen weg. De siësta zit erop…

Uiteraard is het weer klimmen na onze siësta. Dat was geen verrassing. Het gaat behoorlijk vlot, al spelen we ergens – naar goede gewoonte – toch weer de weg kwijt. We volgen een rivier omhoog om het pad terug te vinden. Het is moerassig land waar we over moeten. Het loopt vermoeiend, maar het is wél weer lekker avonturieren. Af en toe zakken de schoenen tot aan de enkels in het water. Wim vloekt luidop. En ik verslik me terwijl ik hem uitlach.

Na een tijdje vinden we het pad gelukkig weer. Zachtjes stijgen we door een loofbos waar een aantal jaren geleden een brand gewoed moet hebben. De stammen van de bomen zijn zwart en de takken dragen geen bladeren. Zouden ze er ooit nog bovenop komen, en met z’n allen opnieuw een statig en dicht groen bos kunnen vormen?

De route brengt ons plots naar een nieuw landschap. De bomen zijn weg en de wereld opent zich. Uit het niets krijgen we een verbluffend uitzicht voorgeschoteld. Het tovert per direct een brede glimlach op mijn gezicht.

Na eindeloos veel meters klimmen komen we aan de top van de oude berg waar we al de hele dag onze hielen in zetten. De tand des tijds heeft hem glad gemaakt. De wind heeft eeuwenlang vrij spel gehad om hem glad te polijsten tot de gave top die hij nu is. Achter hem staan zijn jongere kameraden. Rotsig, scherp en wild. Ze boezemen angst in. Maar hier is de vraag of we niet meer respect moeten hebben voor deze oude afgeronde kletskoppen, dan voor de jonge, onbezonnen spitse pieken…

Na een laatste pauze is het nog maar 150 meter klimmen. Daarna is het enkel nog dalen tot de bivakplaats. Hoewel die 150 meter niks voorstelt in het totaalplaatje van vandaag zie ik er vreemd genoeg wat tegenop. Maar ook de laatste meters moeten geklommen worden, dus – hupsakee – de rugzak gaat weer aan. Aanvankelijk gaat het verrassend goed. Zacht stijgend door gras. Prima, zo hou ik het wel 150 meter vol! Mijn optimisme is echter geen lang leven beschoren…

Plots houdt Wim halt. We kunnen niet meer verder. Het pad is weg. We staan op een besneeuwde berghelling, waar een stevige lawine het pad volledig weggeveegd heeft. Bomen zijn afgeknapt, grote rotsen en stenen liggen her en der verspreid. Kortom, Zelfs met de meest indrukwekkende superlatieven zou ik niet kunnen omschrijven welke ravage hier te zien is. Wim gaat op zoek naar een veilig alternatief. Gemakkelijk is het niet, maar via wat avontuurlijk “rechttoe-rechtaan” komen we na een uur toch weer op het pad uit.

Vanaf daar is het enkel nog dalen. “Easy”, denk je dan. Tot je weer een ijsveld passeert waar je niet meteen op gerekend had. Maar ook die passage komen we gelukkig heelhuids door, en twee uur later komen we veilig en wel in Aulus-les-Bains aan.

We zijn kapot, bekaf en half dood na deze dag topsport. We boeken twee plaatsen in de slaapzaal van een gîte. Een tent mogen we immers niet opzetten van de gastheer. Bij hoge uitzondering kiezen we dus maar voor een slaapzaal. Die snurkers nemen we er voor één keertje graag bij.

We gaan eten in het dorp, omdat we vinden dat we het verdienen. Het smaakt ons fantastisch en met ons tweetjes maken we er een super gezellige avond van. Iets vóór tien uur gaan we naar onze slaapzaal, waar vreemd genoeg niemand anders meer ingecheckt is. Een slaapzaal voor ons alleen dus. Wat wil je nog meer op een huwelijksreis…? We drinken nog een glaasje wijn voor we het bed induiken, waar we ongetwijfeld gaan dromen over het hooggebergte waar we morgen eindelijk weer naartoe zullen klimmen…

Leave a Comment

Your email address will not be published.