Mount Everest Base Camp Trek, Dag 13: Gorak Shep – Pangboche

Rillend van de kou staan we klaar voor het ontbijt dat we voor de grote afdaling nog snel naar binnen willen werken in de lodge van Gorak Shep. Een medewerker van de hut heeft het vannacht slechts met een dun dekentje moeten stellen op één van de houten bankjes in de eetzaal. Zoveel luxe als een aparte slaapkamer of bed heeft hier blijkbaar niet iedereen. Als je weet dat Wim gisteren zijn drinkfles in onze slaapkamer heeft laten vallen en het gemorste water in geen tijd onze kamer in een schaatsbaan omtoverde, hoef ik je niet uit te leggen hoe koud deze man het vannacht gehad moet hebben.

Ik lach vriendelijk naar de eigenaar van de lodge. Hij glimlacht terug en is duidelijk gerustgesteld wanneer hij ziet dat ik me goed voel. Dat was gisteren immers wel wat anders. Toen we na het bereiken van Everest Base Camp terug de afdaling aanvatten, ging het namelijk even behoorlijk mis. Niet alleen stak mijn vreselijke hoofdpijn weer de kop op, ik begon ook licht te zwalpen over het pad. Toen ik even op een rots ging zitten om mijn donsjas in mijn rugzak op te bergen, slaagde ik daar tot mijn grote verbazing niet in. Mijn motoriek liet het volledig afweten en mijn ogen draaiden lichtjes weg. Hoogteziekte fase twee, zoveel was duidelijk. Wim trok me meteen van de rots recht. We moesten zo snel mogelijk afdalen, om de levensgevaarlijke symptomen terug te drijven. “Het gaat wel, het gaat wel”, zei ik tegen Wim. Maar de woorden kwamen er eerder mompelend uit. Ik voelde dat ik aan het afdrijven was, maar aangemoedigd door Wim bereikte ik anderhalf uur later toch de lodge van Gorak Shep. Daar moet het de eigenaar van de lodge opgevallen zijn dat het verre van goed met me ging. Hij had op eigen houtje twee zitjes in een helikopter voor ons geregeld, zodat ik geëvacueerd kon worden naar de vallei. Toen hij ze ons aanbood was ik kortaf tegen hem. In plaats van hem vriendelijk te bedanken, wees ik zijn aanbod streng af. Ik vermoed dat het even mijn trots was die de overhand kreeg. Mijn trots die me op eigen benen tot deze plek gebracht heeft. En mijn trots die me koste wat kost op diezelfde benen ook weer beneden zal brengen…

Het viel ons gisteren op dat Everest Base Camp behoorlijk druk bezet was. Dat heeft alles te maken met het minder goede weer op de Everest. De expeditieleden zitten al meer dan tien dagen vast op Base Camp, doordat de sterke wind hen belet om een poging tot de top te wagen. Hopelijk komt er snel verandering in het weer, want op 29 mei moet heel Everest Base Camp opnieuw opgebroken worden. Na die datum mag er geen enkele tent meer blijven staan en zal Everest Base Camp weer herleid worden tot de levenloze gletsjer waar het kamp elk jaar opnieuw weer opgebouwd wordt. Nuja, niet volledig levenloos natuurlijk, want net zoals alle gletsjers is ook de Khumbu gletsjer, waarop Everest Base Camp gevestigd is, constant in beweging. Zo had een expeditielid bij aanvang nog een mooie vlakke “voortuin” voor zijn tent. Maar nu, vijf weken later, is zijn “voortuin” volledig verdwenen, heeft hij nog tien centimeter vlakke sneeuw voor zijn tent en heeft hij inmiddels een opstapje van zo’n halve meter. Het is dan ook niet voor niets dat het hele seizoen “gletsjerdokters” aanwezig zijn op Everest Base Camp. Zij inspecteren dagelijks de status van de Khumbu Icefall. Ze meten de spleten en de ijssterkte en ze laten de route omleggen waar nodig. Ook nu weer moeten er extra ladders naar Base Camp overgebracht worden, omdat er ondertussen extra spleten in het ijs ontstaan zijn. Zelfs de route die wij gisteren nog naar Everest Base Camp zelf volgden kan over twee weken weer helemaal anders zijn, omdat de gletsjer steeds in beweging is.

Het blijft iets bijzonders, een gletsjer. En dat vindt ook Tom, een man van dik voorbij de zestig die al jaren samen met zijn vrouw in Nepal gevestigd is om onderzoek uit te voeren naar gletsjers. We hadden hem enkele dagen geleden ontmoet en treffen hem opnieuw tijdens de afdaling voorbij Gorak Shep. We blijven even staan om met elkaar te praten. Hij wandelt in tegengestelde richting en is samen met zijn kompaan onderweg naar Everest Base Camp. Al zullen zij daar straks wellicht met heel andere ogen naar kijken, dan wij dat deden. Waar wij gisteren met verstomming geslagen naar de hoge bergtoppen staarden, zullen hun blikken vast gericht zijn naar de grond… zoekend naar het onontkenbare bewijs dat we de strijd tegen de opwarming van de aarde aan het verliezen zijn. Het is een triestige gedachte, dat wij mensen, al het natuurschoon waar moeder aarde zoveel miljoenen jaren aan gewerkt heeft, zonder blikken of blozen verpesten…

Naast Tom komen we nog een bruine en zwarte wilde hond tegen. Ze blijven ons de hele weg tot Lobouche volgen. De twee hebben duidelijk veel meer energie dan wij, want ze rennen onvermoeibaar de heuvels op en af, alsof het parcours zo nog niet lastig genoeg is. In Lobouche scharen ze zich bij de rest van hun meute, die op een rots languit aan het genieten is van het ontwakende landschap. Even verderop zijn een viertal puppy’s aan het rollebollen. Het ziet er een gelukkig gezinnetje uit.

Voorbij de lodge waar we gisteren bleven overnachten, splitst onze route zich af en mogen we opnieuw door ons nog onontdekt natuurschoon stappen. Het gaat weer even bergop, om uit te komen op een prachtig uitzichtpunt dat bezaaid is met kleine stoepa’s.

We rusten er even uit en beseffen dat er een moment van afscheid is aangebroken. Vanaf dit punt gaat het vrijwel alleen nog bergaf en zoekt onze route langzaam maar zeker een weg uit de bergen. Stilletjes aan zullen we het onvruchtbare en rotsige hooggebergte weer inruilen voor groene bossen en wilde bloemen. En hoewel afscheid nemen natuurlijk nooit echt leuk is, voelt het toch goed. Het is tijd om te gaan… We hebben twee onvergetelijke weken beleefd aan de zijde van de hoogste bergtoppen ter wereld. We hebben bewondering en respect voor ze gehad. Ze gebben ons over grenzen gedwongen waarvan we dachten dat we ze nooit over zouden gaan. En ze hebben ons vooral lessen geleerd… Lessen over hoe klein en nietig wij wel zijn. Twee weken in dit overdonderende en majestueuze landschap doen je inzien dat wij dan misschien wel aan de top van de voedselpiramide staan, maar dat we tegen de kracht van de natuur uiteindelijk steeds het onderspit zullen moeten delven. Het zet je met de beide voetjes letterlijk en figuurlijk weer netjes op de grond. De grootheidswaanzin van ons ras krijgt hier onvermijdelijk een steenharde “reality check”. Een “reality check” die we misschien allemaal eens zouden moeten krijgen. Want het enige dat onze aarde echt nodig heeft om te kunnen overleven, is een tikkeltje meer menselijke bescheidenheid…

En met die herwonnen menselijke bescheidenheid dalen we verder en verder af, om uiteindelijk aan te komen in de uitgestrekte vallei van Periche. Een ijzig koude wind heeft vrij spel doorheen het dal. Hoewel we ondertussen al enkele honderden meters lager zitten, wint de temperatuur geen enkele graad. Integendeel, het lijkt er eerder op dat koning winter opmars heeft gemaakt naar het lager gelegen landschap. Een lokale gids praat ons het idee om hier te overnachten dan ook snel uit ons hoofd en raadt ons aan om nog twee uur door te stappen naar Pangboche, waar de beruchte koning winter blijkbaar een pak minder te zeggen heeft. We volgen zijn raad op, nadat we onze innerlijke mens versterkt hebben met een portie “mo-mo” in een bijzonder gezellig eettentje. “Mo-mo” zijn heerlijke Nepalese dumplings. Ik leg me even horizontaal op een bankje, omdat mijn hoofdpijn weer ongekende proporties aangenomen heeft. Het is dermate erg dat mijn hele lichaam ervan begint te beven. De gids maakt zich zorgen en geeft Wim wat extra info over de route die we moeten volgen. Wanneer ook hij weer zijn weg verderzet door de ijskoude vallei, sluit hij af met de woorden dat Wim me moet helpen en ondersteunen. Wim knikt en streelt me over mijn arm. Geen zorgen, ik weet dat ik bij hem in goede handen ben…

Twee paracetamols en een portie “mo-mo” later, kan ik weer enigszins rechtop zitten en mijn ogen openen. Wanneer ik me sterk genoeg voel, gaan de rugzakken weer aan en maken we ons op voor een laatste korte klim. Over een rivier waarin enkele lokale vrouwen hun was aan het doen zijn, gaat het pad omhoog. Het is een korte, maar stevige klim die verrassend goed gaat. Op de top komen we wandelaars tegen. Voor hen moet het avontuur nog beginnen. Het valt me op dat ze shorts dragen, terwijl ik nog drie lagen kledij en handschoenen aan heb. Zij hebben nog geen idee in wat voor onherbergzaam landschap zij straks terecht zullen komen. De shorts zullen snel ingeruild worden voor een lange broek. Maar ik prijs me gelukkig dat we inmiddels onder het gezag van koning winter uit zijn en ik mijn handschoenen definitief in de rugzak op kan bergen.

In de verte zien we Pangboche liggen. Of dat denken we toch. Want op een splitsing wijst een pijl de andere richting uit en blijkt het nog een half uur extra klimmen te zijn. Ik laat de moed echter niet zakken en start vastberaden aan de klim. Het valt al bij al nog prima mee en bij wijze van beloning belanden we vlak voor Pangboche voor de eerste keer in twee weken terug in een bos. Het voelt als thuis komen. De afgelopen dagen hebben we eigenlijk nooit het gevoel gehad dat we een bos of begroeiing gemist hadden. Maar de natuurlijke schaduw, het gevoel van groen leven en de geur van naaldwoud geven me compleet onaangekondigd waterige ogen. Het overvalt me. Het is een gevoel dat ik in de verste verte niet verwacht had. Maar het is een zoveelste bewijs dat een mens niet zonder groen kan. We snuiven de heerlijke geuren met diepe teugen op.

Helemaal boven in Pangboche trekt een mooie lodge onze aandacht. Ze ligt in het verlengde van een kleurrijke tempel. Een groot bord met het fout gespelde “Holliday Inn” belooft ons een Nepalese versie van een westerse hotelketen. We zien de humor ervan in en besluiten er een kamer te boeken. Die is zoals steeds bijzonder primitief, maar we hebben een eigen toilet op de kamer wat volgens Nepalese normen dus kan doorgaan voor een heuse “penthouse”. Een douche of elektriciteit is er niet. Er zitten bloedvlekken op de lakens en met blote voeten zou ik me niet op de vloer wagen. Maar we zijn echt dolgelukkig met ons kamertje. Door het raam zien we uitgestrekte groene naaldbossen. Ze geven de besneeuwde onbeklimbare bergtoppen die er bovenuit steken een vriendelijk en zachtaardig karakter. Ik trek het gordijn opzij en ik glimlach. Hier is een “penthouse” niets tegen…

Follow us on social media

Sharing is caring!

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *